Thomas Paine

Agrarische Rechtvaardigheid


Bron: www.gutenberg.org/ebooks/31270
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

Qr-MIA

       


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
Privaat bezit
Over het onderscheid tussen maatschappij en gemeenschap
De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat

 

[Het motief om deze tekst te publiceren in dit marxistisch archief, dat is dat van deze tekst wordt gezegd dat het de eerste tekst is die handelt over het begrip basisinkomen (zie Wikipedia: Agrarian Justice). Over het basisinkomen zijn de meningen verdeeld, wij geven hier de tekst van Paine. Niet meer, niet minder dan dat.]

 

Toelichting van de auteur

Aan de Wetgevende Macht en het Uitvoerend Directoraat van de Franse Republiek

Het plan dat in dit werk wordt voorgesteld, is niet specifiek aangepast aan een bepaald land: het principe waarop het is gebaseerd, is algemeen. Maar aangezien de rechten van de mens een nieuw studiegebied is, dat bescherming behoeft tegen het bedrog van priesters en de arrogantie van al te lang bestaande repressie, heb ik het juist geacht dit kleine werk onder uw bescherming te plaatsen. Wanneer we nadenken over de lange en donkere nacht waarin Frankrijk en heel Europa door hun regeringen en hun priesters zijn ondergedompeld, moeten we ons minder verbaasd dan bedroefd voelen over de verwarring die wordt veroorzaakt door de eerste lichtstraal die de duisternis verdrijft. Het oog dat aan duisternis gewend is, kan het felle daglicht aanvankelijk nauwelijks verdragen. Door gebruik leert het oog te zien, en hetzelfde geldt voor de overgang van de ene situatie naar de andere.

Aangezien we niet ineens al onze fouten hebben afgezworen, kunnen we ook niet tegelijk kennis verwerven betreffende al onze rechten. Frankrijk heeft de eer gehad om aan het woord vrijheid het woord gelijkheid toe te voegen; en dit woord betekent in wezen een principe dat geen gradaties toelaat, aan dat waarop het van toepassing is. Maar gelijkheid wordt vaak verkeerd begrepen, vaak fout toegepast en vaak geschonden.

Vrijheid en eigendom zijn woorden die verwijzen naar al onze bezittingen van niet-intellectuele aard. Er zijn twee soorten eigendom. Ten eerste, natuurlijke eigendom, of datgene wat ons door de Schepper van het universum is gegeven, zoals de aarde, de lucht en het water. Ten tweede, kunstmatige of verworven eigendom, een maaksel van de mens. In het laatste geval is gelijkheid onmogelijk, want om het gelijk te verdelen zou het noodzakelijk zijn dat iedereen in dezelfde verhouding zou hebben bijgedragen, wat nooit het geval kan zijn; en aangezien dit het geval is, zou elk individu zijn eigendom als een rechtmatig aandeel behouden. Gelijkheid van natuurlijke eigendom is het onderwerp van dit korte essay. Elk individu in de wereld wordt geboren met een legitieme aanspraak op een bepaald soort eigendom, of het equivalent daarvan.

Het recht om te stemmen voor personen belast zijn met de uitvoering van de wetten die de samenleving regelen, is inherent aan het begrip vrijheid en vormt de grondslag van de gelijkheid van persoonlijke rechten. Maar zelfs als dat recht (om te stemmen) inherent zou zijn aan eigendom - wat ik ontken - zou het kiesrecht nog steeds aan iedereen in gelijke mate toekomen, omdat, zoals reeds gezegd, alle individuen legitieme geboorterechten hebben op een bepaald soort eigendom.

Ik heb de huidige grondwet van de Franse Republiek altijd beschouwd als het best georganiseerde systeem dat het menselijk verstand tot nu toe heeft voortgebracht. Maar ik hoop dat mijn voormalige confraters niet beledigd zullen zijn als ik hen waarschuw voor een fout die in het principe is geslopen. De gelijkheid van het stemrecht wordt niet gehandhaafd. Dit recht is in dit verband gekoppeld aan een voorwaarde waarvan het niet afhankelijk zou mogen zijn, namelijk aan een deel van een bepaalde heffing die “directe belasting” wordt genoemd. De waardigheid van het kiesrecht wordt hierdoor aangetast en door het op één lijn te stellen met iets inferieurs, wordt het enthousiasme voor dit recht verminderd. Het is onmogelijk om een equivalent tegenwicht te vinden voor het kiesrecht, omdat het alleen waardig is zijn eigen basis te zijn en niet kan gedijen als een ent of een aanhangsel.

Sinds de grondwet van kracht is hebben we twee mislukte samenzweringen gezien: die van Babeuf en die van enkele obscure personen die zich tooien met de verachtelijke naam “royalisten”. Het principe-defect in de grondwet was de oorzaak van de samenzwering van Babeuf. Hij maakte gebruik van de wrok, ontstaan door deze tekortkoming, en in plaats van een remedie te zoeken met legitieme en constitutionele middelen, of maatregelen voor te stellen die nuttig waren voor de samenleving, deden de complotteurs hun best om de wanorde en verwarring te hervatten en vormden ze zelf een Directoire, dat formeel een einde maakte aan verkiezingen en vertegenwoordiging. Ze waren uiteindelijk zo extravagant om te veronderstellen dat de samenleving, bezig met de binnenlandse aangelegenheden, zich blindelings zou onderwerpen aan een directeurschap, door geweld opgelegd.

De samenzwering van Babeuf werd enkele maanden later gevolgd door die van de royalisten, die zich dwaas vleiden met het idee grote dingen te kunnen doen met zwakke of foute middelen. Zij rekenden op de ontevredenen, om welke reden dan ook, en probeerden op hun beurt die mensen op te hitsen, die de anderen tot dan toe hadden gevolgd. Maar deze nieuwe leiders handelden alsof zij dachten dat de samenleving niets anders voor ogen had dan het in stand houden van hovelingen, gepensioneerden en al hun gevolg, onder de minachtende titel van koningshuis. Mijn kort essay zal hen uit die droom helpen door aan te tonen dat de samenleving een heel ander doel nastreeft, namelijk zichzelf in stand houden.

We weten allemaal, of we zouden dat moeten weten, dat de revolutionaire periode, niet de periode is waarin de voordelen ervan worden genoten. Maar als Babeuf en zijn medeplichtigen de toestand van Frankrijk onder deze grondwet in ogenschouw hadden genomen en hadden vergeleken met de toestand onder de tragische revolutionaire regering en het afschuwelijke bewind van de Terreur, dan moet de snelle verandering hen opvallend en verbazingwekkend zijn voorgekomen. Hongersnood is vervangen door overvloed en de gegronde hoop op een nabije en toenemende welvaart.

Wat betreft het mankement in de grondwet, ben ik er volledig van overtuigd dat dit op constitutionele wijze zal worden rechtgezet en dat deze stap onontbeerlijk is; zolang het euvel blijft bestaan, geeft het hoop en middelen aan samenzweerders; voor het overige is het betreurenswaardig dat een zo wijselijk opgezette grondwet zozeer tekortschiet in haar beginselen. Dit stelt haar bloot aan andere gevaren die zich zullen doen gevoelen. Intrigerende kandidaten zullen zich onder degenen begeven die niet over de middelen beschikken om de directe belasting te betalen en deze voor hen betalen, op voorwaarde dat zij hun stemmen krijgen. Laten we de gelijkheid in het heilige kiesrecht onschendbaar handhaven: de openbare veiligheid kan nooit een solidere basis hebben.

Een broerderlijke groet,
uw voormalige collega,
Thomas Paine

Voorwoord van de auteur

Het volgende korte stukje is geschreven in de winter van 1795-96; en aangezien ik nog niet had besloten of ik het tijdens de huidige oorlog zou publiceren of wachten tot het begin van de vrede, heb ik het vanaf het moment dat het geschreven werd ongewijzigd en zonder toevoegingen bewaard.

Wat mij motiveert om het nu te publiceren, is een preek van Watson, bisschop van Llandaff. Sommige van mijn lezers zullen zich herinneren dat deze bisschop een boek heeft geschreven met de titel An Apology for the Bible, als antwoord op mijn tweede deel van The Age of Reason (De Eeuw van de rede). Ik heb een exemplaar van zijn boek bemachtigd en hij kan erop rekenen dat hij mij nog zal horen over dit onderwerp.

Aan het einde van het boek staat een lijst van de werken door hem geschreven. Daaronder ook de preek waarnaar wordt verwezen, getiteld: “De wijsheid en goedheid van God, die zowel rijken als armen heeft geschapen; met een bijlage met beschouwingen over de huidige toestand in Engeland en Frankrijk.”

De fout in deze preek heeft mij ertoe gebracht mijn Agrarische Rechtvaardigheid te publiceren. Het is onjuist te zeggen dat God rijk en arm heeft geschapen; hij heeft alleen man en vrouw geschapen en hun de aarde als erfdeel gegeven. ...

In plaats van te prediken dat een deel van de mensheid aanmoedigt tot hoogmoed ... [De omissies worden vermeld in de Engelse uitgave van 1797 – Redacteur] zouden priesters hun tijd beter besteden aan het minder ellendig maken van de algemene toestand van de mens. Praktische religie bestaat uit het doen van goed: en de enige manier om God te dienen is door te streven naar het gelukkig maken van zijn schepping. Alle prediking die dit niet tot doel heeft, is onzin en hypocrisie.

Het behoud van de voordelen van wat men het beschaafde leven noemt, en tegelijkertijd het verhelpen van het kwaad dat dit heeft voortgebracht, dient te worden beschouwd als een van de belangrijkste doelstellingen van een hervormde wetgeving.

Of die toestand met trots, en wellicht ten onrechte, beschaving wordt genoemd, het algemene geluk van de mens het meest heeft bevorderd of juist het meest heeft geschaad, is een vraag waarover hevig kan worden gediscussieerd. Enerzijds wordt de toeschouwer verblind door schitterende uiterlijkheden; anderzijds is hij geschokt door extreme ellende; beide zijn door deze beschaving in het leven geroepen. De rijkste en de meest ellendige mensen zijn te vinden in de landen die beschaafd worden genoemd.

Om te begrijpen hoe de samenleving eruit zou moeten zien, is het noodzakelijk om een idee te hebben van de natuurlijke en primitieve toestand van de mens, zoals die vandaag de dag nog bestaat onder de indianen van Noord-Amerika. In die toestand zijn er geen schrijnende taferelen van menselijke ellende, zoals te zien in de Europese steden en straten. Armoede is iets dat is gecreëerd door wat we het beschaafde leven noemen. In de natuurlijke toestand bestaat het niet. Aan de andere kant kent de natuurlijke toestand niet de voordelen die voortvloeien uit landbouw, kunst, wetenschap en industrie.

Het leven van een indiaan is een voortdurende feestdag in vergelijking met dat van de armen in Europa, maar aan de andere kant lijkt het erbarmelijk in vergelijking met dat van de rijken. De beschaving, of wat daarvoor doorgaat, heeft dus twee kanten: ze heeft een deel van de samenleving welvarender gemaakt en een ander deel ellendiger, dan wat beide hun lot in een natuurlijke toestand zou zijn geweest.

Het is altijd mogelijk om van de natuurlijke naar de beschaafde staat over te gaan, maar het is nooit mogelijk om van de beschaafde naar de natuurlijke staat te gaan. De reden hiervoor is dat de mens in een natuurlijke staat, die leeft van de jacht, tien keer zoveel land nodig heeft voor zijn levensonderhoud als in de beschaafde, waar de aarde wordt bebouwd. Wanneer een land dus door de extra hulp van landbouw, kunst en wetenschap dichtbevolkt raakt, is het noodzakelijk om behoudend te worden inzake die toestand; want zonder die toestand kan er misschien maar voor niet meer dan een tiende van de inwoners voedsel zijn. Wat daarom moet gebeuren, is het kwaad verhelpen en de voordelen van de samenleving behouden, opgeleverd door die overgang van de natuurlijke naar de zogenaamde beschaafde toestand.

Vanuit dit standpunt had het eerste principe van de beschaving moeten zijn, en zou het nog steeds moeten zijn, dat de toestand van elke mens geboren na het begin van de beschaving, niet slechter mag zijn dan wanneer hij vóór die periode was geboren. Maar het feit is dat de toestand van miljoenen mensen in elk land in Europa veel slechter is dan wanneer zij vóór het begin van de beschaving waren geboren, of wanneer zij vandaag de dag onder de indianen van Noord-Amerika waren geboren. Ik zal uitleggen hoe dit is gebeurd.

Het is duidelijk dat de aarde in haar natuurlijke, onbebouwde staat, het gemeenschappelijk eigendom van de mensheid was en altijd zou zijn gebleven. In die toestand zou ieder mens met eigendom zijn geboren. Hij zou samen met de anderen mede-eigenaar zijn geweest van de grond en van al haar natuurlijke producten, zowel planten als dieren.

Maar de aarde in haar natuurlijke staat kan, zoals eerder gezegd, maar een klein aantal mensen onderhouden in vergelijking met wat kan in de gecultiveerde staat. En aangezien het onmogelijk is om de verbetering die door cultivatie is aangebracht te scheiden van de aarde, is het idee van grondbezit ontstaan uit die onlosmakelijke verbinding; maar het is niettemin waar dat alleen de waarde van de verbetering, en niet de aarde zelf, individueel eigendom is. Elke eigenaar van gecultiveerde grond is daarom aan de gemeenschap een grondrente verschuldigd (want ik ken geen betere term om dit idee uit te drukken) voor de grond die hij bezit; en uit deze grondrente moet het in dit plan voorgestelde fonds worden gefinancierd.

Zowel uit de aard der zaak als uit alle overgeleverde geschiedenissen kan worden afgeleid dat het begrip grondbezit is ontstaan met de landbouw, en dat er vóór die tijd geen sprake was van grondbezit. In de eerste menselijke fase, die van jagers, kon het niet bestaan. Het bestond evenmin in de tweede fase, die van herders: noch Abraham, Isaak, Jacob, of Job waren, voor zover de Bijbel kan worden geloofd, eigenaars van land. Hun bezit bestond, zoals steeds wordt vermeld, uit kuddes en veestapels, en zij trokken daarmee van plaats naar plaats. De frequente geschillen over het gebruik van een waterput in het droge Arabië, waar ze leefden, geven aan dat er geen grondbezit bestond. Het werd niet aanvaard dat land als eigendom kon worden geclaimd.

Oorspronkelijk kon er geen sprake zijn van grondbezit. De mens heeft de aarde niet gemaakt en hoewel hij het natuurlijke recht had om haar te bewonen, had hij niet het recht om een stuk grond voor altijd als zijn eigendom te beschouwen; evenmin heeft de schepper van de aarde een kadaster opgericht, met de eerste eigendomsakten. Waar kwam dan het idee van grondbezit vandaan? Ik antwoord zoals eerder dat toen de landbouw begon, het idee van grondbezit daarmee begon, omdat het onmogelijk was de verbetering door de landbouw aangebracht, te scheiden van de grond, waarop die verbetering werd aangebracht. De waarde van de verbetering overtrof destijds de waarde van de natuurlijke aarde zodanig dat deze werd geabsorbeerd, totdat uiteindelijk het gemeenschappelijke recht van allen verward raakte met het gecultiveerde recht van het individu. Er zijn echter verschillende soorten rechten, en die zullen blijven bestaan zolang de aarde bestaat.

Alleen door de oorsprong van dingen te achterhalen, kunnen we er een juist beeld van krijgen, en door dat beeld, ontdekken we de grens die goed van kwaad scheidt en leren we iedereen zijn rechten te kennen. Ik heb dit traktaat Agrarische Rechtvaardigheid genoemd, om het te onderscheiden van agrarische wetgeving. Niets is onrechtvaardiger dan agrarische wetgeving, in een land dat door landbouw is verbeterd; want hoewel ieder mens, als aardbewoner, mede-eigenaar is van de aarde in haar natuurlijke staat, volgt daaruit niet dat hij mede-eigenaar is van de gecultiveerde aarde. De toegevoegde waarde die door de landbouw werd gecreëerd, werd, nadat het systeem was ingevoerd, eigendom van degenen die het hadden gedaan, of die het van hen hadden geërfd, of die het hadden gekocht. Oorspronkelijk had het geen eigenaar. Hoewel ik dus het recht verdedig en mij bekommer om het lot van al diegenen die door de invoering van het grondbezit hun natuurlijke erfenis kwijt zijn, verdedig ik evenzeer het recht van de bezitter op het deel dat hem toekomt.

Landbouw is op zijn minst een van de grootste verbeteringen in de natuur, ooit door menselijke uitvindingen gerealiseerd. Het heeft de aarde een tienvoudige waarde gegeven. Maar het grondmonopolie dat daarmee begon, heeft een groot kwaad voortgebracht. Het heeft meer dan de helft van de inwoners van elke natie van hun natuurlijke erfenis beroofd, zonder hen, zoals had moeten gebeuren, een vergoeding voor dat verlies te geven, en heeft daarmee armoede en ellende gecreëerd die voorheen niet bestond.

Wanneer ik opkom voor de zaak van degenen die op deze wijze van hun bezit zijn beroofd, pleit ik voor een recht, niet voor liefdadigheid. Maar het is een recht dat, omdat het aanvankelijk werd genegeerd, pas later naar voren kon worden gebracht toen de hemel de weg had vrijgemaakt door een omwenteling in het staatsbestel. Laten wij dan de omwentelingen eren door gerechtigheid, en het beginsel kracht bijzetten door zegeningen.

Nu ik in enkele woorden de kern van de zaak heb geschetst, ga ik nu over tot mijn voorstel, namelijk:

Het oprichten van een nationaal fonds, waaruit aan elke mens die de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt, een bedrag van vijftien pond sterling wordt uitbetaald, als gedeeltelijke compensatie voor het verlies van zijn of haar natuurlijke erfenis door de invoering van het grondbezit.

En ook een bedrag van tien pond per jaar, gedurende het hele leven, aan elke mens die nu leeft en de leeftijd van vijftig jaar heeft bereikt, en aan alle anderen die die leeftijd bereiken.

Middelen waarmee het fonds moet worden opgericht

Ik heb reeds het principe gesteld, namelijk dat de aarde, in haar natuurlijke, onbebouwde toestand, het gemeenschappelijk eigendom van de mensheid was en altijd zou zijn gebleven; dat in die staat elke mens met eigendom zou zijn geboren; en dat het systeem van grondeigendom, door zijn onlosmakelijke verbondenheid met de landbouw en met wat men beschaafd leven noemt, het eigendom heeft geabsorbeerd van al diegenen die het onteigend heeft, zonder, zoals had moeten gebeuren, een vergoeding te bieden voor dat verlies.

De fout ligt echter niet bij de huidige bezitters. Er is geen sprake van een klacht, noch mag er een tegen hen worden ingebracht, tenzij zij zich schuldig maken aan een misdrijf door zich tegen het recht te verzetten. De fout zit in het systeem, dat zich ongemerkt over de wereld heeft verspreid, later nog in de hand gewerkt door de agrarische wet van het zwaard. Maar de fout kan door de komende generaties worden hersteld; en zonder het eigendom van de huidige bezitters te verminderen of te verstoren, kan het fonds toch al in het eerste jaar na de oprichting, of kort daarna, operationeel worden en ten volle functioneren, zoals ik zal aantonen.

Er wordt voorgesteld dat de betalingen, zoals reeds vermeld, aan iedereen worden gedaan, rijk of arm. Dat is het beste om te voorkomen dat er ongelijke verschillen ontstaan. Het is ook beter dat het zo is, omdat het in de plaats komt van de natuurlijke erfenis, die als recht aan iedereen toekomt, bovenop het zelf opgebouwde vermogen, of geërfd van anderen. Personen die ervoor kiezen om het niet te ontvangen, kunnen het in het gemeenschappelijk fonds storten.

Aangenomen dat niemand die in een zogenaamde beschaafde samenleving wordt geboren, in een slechtere situatie mag verkeren dan wanneer hij in een natuurlijke samenleving zou zijn geboren, en dat de beschaving daarvoor voorzieningen had moeten treffen en nog steeds moet treffen, kan dit alleen worden bereikt door een deel van de waarde van het vermogen af te trekken dat gelijk is aan de natuurlijke erfenis die het heeft geabsorbeerd.

Er kunnen verschillende methoden worden voorgesteld om dit te bereiken, maar de methode die het beste lijkt (niet alleen omdat dit zal plaatsvinden zonder de huidige eigenaren te storen of zonder de inning van belastingen of leningen te belemmeren die nodig zijn voor het bestuur en de revolutie, maar ook omdat dit de minst lastige en meest doeltreffende manier is, en bovendien omdat de aftrek zal plaatsvinden op het moment dat zich daar het best voor leent) is op het moment dat ... eigendom door het overlijden van een persoon overgaat op een ander. In dit geval geeft de erflater niets weg en betaalt de ontvanger niets. Het enige wat voor hem van belang is, is dat het monopolie op natuurlijke erfenissen, waarop nooit een recht heeft bestaan, bij hem begint te verdwijnen. Een vrijgevig mens zou niet willen dat dit voortduurt, en een rechtvaardig mens zal zich verheugen over de afschaffing.

Mijn gezondheidstoestand verhindert mij voldoende onderzoek te doen naar de waarschijnlijkheidsleer, waarop de berekeningen met een mate van zekerheid kunnen worden gebaseerd. Wat ik daarom over dit onderwerp te bieden heb, is meer het resultaat van observatie en reflectie dan van ontvangen informatie, maar ik geloof dat het voldoende in overeenstemming zal blijken te zijn met de feiten.

In de eerste plaats, als we 21 jaar als de leeftijd van volwassenheid nemen, is alle eigendom van een natie, zowel onroerend als roerend, altijd in het bezit van personen boven die leeftijd. Het is dan noodzakelijk om, als uitgangspunt voor de berekening, te weten hoeveel jaar men boven die leeftijd gemiddeld nog te leven heeft. Ik ga ervan uit dat dit gemiddelde ongeveer dertig jaar bedraagt, want hoewel veel mensen na hun eenentwintigste nog veertig, vijftig of zestig jaar zullen leven, zullen anderen veel eerder overlijden, en sommigen in elk jaar van die periode.

Als we dus dertig jaar als gemiddelde nemen, geeft dat, zonder enige materiële variatie in de ene of de andere richting, de gemiddelde tijd waarin het gehele vermogen of kapitaal van een natie, of een gelijkwaardig bedrag, een volledige omwenteling in erfopvolging zal hebben doorgemaakt, dat wil zeggen door sterfgevallen aan nieuwe bezitters zal zijn overgegaan; want hoewel in veel gevallen sommige delen van dit kapitaal veertig, vijftig of zestig jaar in het bezit van één persoon zullen blijven, zullen andere delen twee of drie keer zijn overgegaan voordat die dertig jaar zijn verstreken, waardoor het gemiddelde wordt bereikt; want als de helft van het kapitaal van een natie in dertig jaar twee keer zou worden overgedragen, zou dat hetzelfde fonds opleveren als wanneer het geheel één keer zou worden overgedragen.

Als we dus dertig jaar nemen als de gemiddelde tijd waarin het gehele kapitaal van een natie, of een daarmee gelijkwaardig bedrag, één keer zal circuleren, zal het dertigste deel daarvan het bedrag zijn dat elk jaar zal circuleren, dat wil zeggen door overlijden naar nieuwe bezitters zal gaan; en als dit laatste bedrag eenmaal bekend is en het percentage dat ervan moet worden afgetrokken is bepaald, levert dat het jaarlijkse bedrag of inkomen op van het voorgestelde fonds, dat kan worden aangewend.

In de toespraak van de Engelse minister Pitt bij de opening van wat in Engeland de begroting wordt genoemd (het financiële vooruitzicht voor het jaar 1796), staat een schatting van het nationale kapitaal van het land. Aangezien deze schatting van het nationale kapitaal voorhanden is, neem ik dit als uitgangspunt voor mijn berekeningen. Wanneer een berekening wordt gemaakt op basis van het bekende kapitaal van een land, in combinatie met zijn bevolking, kan deze als maatstaf dienen voor elk ander land, in verhouding tot de grootte van zijn kapitaal en bevolking. Ik ben des te meer geneigd om deze schatting van de heer Pitt te gebruiken om hem aan de hand van zijn eigen berekening te laten zien hoe het geld veel beter kan worden besteed dan door het te verspillen, zoals hij heeft gedaan, aan het waanzinnige project om de Bourbons op de troon te zetten. Wat betekenen de Bourbons in hemelsnaam voor het Engelse volk? Het is beter dat het volk brood heeft.

De heer Pitt stelt dat het nationale kapitaal van Engeland, onroerend en roerend, 1,3 miljard pond sterling bedraagt, wat ongeveer een kwart is van het nationale kapitaal van Frankrijk, inclusief België. De resultaten van de laatste oogst in beide landen bewijzen dat de Franse grond vruchtbaarder is dan die van Engeland en dat deze beter in staat is om 24 à 25 miljoen inwoners te onderhouden dan die van Engeland om 7 à 7,5 miljoen inwoners te onderhouden.

Het dertigste deel van dit kapitaal van 1.300.000.000 pond is 43.333.333 pond, het deel dat elk jaar door sterfgevallen in dat land naar nieuwe bezitters zal overgaan; en het bedrag dat jaarlijks in Frankrijk in een verhouding van vier op één zal overgaan, zal ongeveer 173 miljoen pond sterling bedragen. Van dit bedrag van 43.333.333 pond dat jaarlijks in omloop is, moet de waarde van de natuurlijke erfenis worden afgetrokken, die, misschien in alle eerlijkheid, niet op minder kan worden geraamd en niet op meer dan een tiende mag worden geraamd.

Het zal altijd zo zijn dat van het vermogen dat jaarlijks door overlijden circuleert, een deel in rechte lijn aan zonen en dochters zal worden overgedragen en het andere deel aan zijtakken, en dat de verhouding ongeveer drie op één zal zijn; dat wil zeggen dat ongeveer dertig miljoen van het bovenstaande bedrag aan directe erfgenamen zal worden overgedragen en het resterende bedrag van 13.333.333 pond aan verre verwanten en gedeeltelijk aan vreemden.

Aangezien de mens altijd verwant is aan de samenleving, zal die verwantschap relatief groter worden naarmate de naaste verwanten verder verwijderd zijn. Het is daarom consistent met de beschaving om te zeggen dat wanneer er geen directe erfgenamen zijn, de samenleving erfgenaam wordt van een deel bovenop het tiende deel dat aan de samenleving toekomt. Als dit extra deel vijf tot tien of twaalf procent bedraagt, naar gelang de nabestaanden dichterbij of verder weg zijn, zodat het gemiddelde overeenkomt met de eventuele verbeurdverklaringen – en die altijd naar de samenleving moeten gaan en niet naar de overheid (een extra toevoeging van tien procent) – dan zal de opbrengst van het jaarlijkse bedrag van 43.333.333 pond als volgt zijn:

Nu ik zo tot het jaarlijkse bedrag van het voorgestelde fonds ben gekomen, kom ik vervolgens te spreken over de bevolking in verhouding tot dit fonds, en vergelijk ik dit met de doeleinden waarvoor het fonds zal worden aangewend.

De bevolking (ik bedoel die van Engeland) bedraagt niet meer dan zeven en een half miljoen, en het aantal personen boven de vijftig jaar zal in dat geval ongeveer vierhonderdduizend bedragen. Er zouden echter niet meer mensen zijn dan dat aantal die het voorgestelde bedrag van tien pond sterling per jaar zouden accepteren, hoewel zij daar wel recht op zouden hebben. Ik kan me niet voorstellen dat het door veel mensen met een jaarinkomen van twee- of driehonderd pond sterling zou worden geaccepteerd. Maar aangezien we vaak zien dat rijke mensen plotseling in armoede vallen, zelfs op de leeftijd van zestig, zouden zij altijd het recht hebben om alle achterstallige bedragen waarop zij recht hebben, op te eisen. Er zal dus vier miljoen van het bovengenoemde jaarlijkse bedrag van 5.666.6667 pond nodig zijn voor vierhonderdduizend bejaarden, à tien pond sterling per persoon.

Ik kom nu toe aan de personen die elk jaar 21 worden. Als alle personen die stierven ouder waren dan 21, zou het aantal personen dat jaarlijks die leeftijd bereikt gelijk moeten zijn aan het jaarlijkse aantal sterfgevallen, om de bevolking stabiel te houden. Maar het grootste deel sterft onder de eenentwintig, daarom zal het aantal personen dat jaarlijks eenentwintig jaar wordt minder zijn dan de helft van het aantal sterfgevallen. Het totale aantal sterfgevallen op een bevolking van zeven en een half miljoen zal ongeveer 220.000 per jaar bedragen. Het aantal personen dat de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt, zal ongeveer 100.000 zijn. Het totale aantal van deze mensen zal om de reeds genoemde redenen niet de voorgestelde vijftien pond ontvangen, hoewel zij daar, net als in het vorige geval, recht op zouden hebben. Als we aannemen dat een tiende deel het verwerpt, zou het bedrag als volgt zijn:

In elk land zijn er een aantal blinde en invaliden die niet in staat zijn om in hun levensonderhoud te voorzien. Maar aangezien het altijd zo zal zijn dat het grootste aantal blinde mensen tot de groep van vijftigplussers behoort, zullen zij in die klasse worden verzorgd. Het resterende bedrag van 316.666 pond zal worden gebruikt voor de invalide en blinde mensen onder die leeftijd, tegen hetzelfde tarief van 10 pond per jaar per persoon.

Nu ik alle noodzakelijke berekeningen heb doorgenomen en de details van het plan heb uiteengezet wil ik afsluiten met enkele opmerkingen.

Ik pleit niet voor liefdadigheid, maar voor een recht, niet voor vrijgevigheid, maar voor gerechtigheid. De huidige staat van beschaving is even weerzinwekkend als onrechtvaardig. Ze is het tegenovergestelde van wat ze zou moeten zijn, en er moet een revolutie komen. [Deze en de vorige zin zijn weggelaten in alle vorige Engelse en Amerikaanse edities. – Redactie] Het contrast tussen rijkdom en ellende, dat zich voortdurend aandient en het oog schokt, is alsof het dode en het levende aan elkaar zijn geketend. Hoewel ik net zo weinig om rijkdom geef als ieder ander, ben ik een vriend van rijkdom omdat die tot het goede in staat is. Het kan me niet schelen hoe rijk sommigen zijn, zolang niemand daardoor ellendig is. Maar het is onmogelijk om van rijkdom te genieten, met het gepaarde geluk, terwijl er zoveel ellende te zien is. De aanblik van de ellende en de onaangename gevoelens daarbij, weliswaar te onderdrukken, maar niet uitgebannen, zijn een groter nadeel voor het geluk van en met de rijkdom, dan de voorgestelde 10 procent op de waarde van het onroerend goed. Wie het ene niet wil opgeven om van het andere af te komen, heeft geen naastenliefde, zelfs niet voor zichzelf.

In elk land zijn er prachtige liefdadigheidsinstellingen, opgericht door individuen. Weinig echter kan een individu doen, als men kijkt naar de totaliteit van de ellende, die moet worden verlicht. Hij kan zijn geweten sussen, maar niet zijn hart. Hij kan alles geven wat hij heeft, maar dat zal weinig verlichting geven. Alleen door de beschaving te organiseren volgens principes die werken als een systeem van katrollen, kan dat gewicht van die ellende worden weggenomen.

Het hier voorgestelde plan zal iedereen ten goede komen. Het zal onmiddellijk drie categorieën van ellende verlichten en verwijderen: blinden, kreupelen en arme bejaarden; en het zal de opkomende generatie de middelen verschaffen om te voorkomen dat zij arm worden; het zal dit doen zonder nationale maatregelen te verstoren of te hinderen. Om aan te tonen dat dit het geval zal zijn, volstaat het op te merken dat de werking en het effect van het plan in alle gevallen hetzelfde zullen zijn als wanneer elk individu vrijwillig zijn testament zou opstellen en zijn eigendom zou verdelen op de hier voorgestelde wijze.

Maar het is rechtvaardigheid, niet liefdadigheid, dat is het uitgangspunt van het plan. In alle belangrijke gevallen is het noodzakelijk om een principe te hebben dat universeler is dan liefdadigheid; en wat rechtvaardigheid betreft, mag het niet aan de keuze van individuele personen worden overgelaten of zij rechtvaardigheid zullen betrachten of niet. Als we het plan dan vanuit het oogpunt van rechtvaardigheid bekijken, zou het een daad van het geheel moeten zijn, spontaan komende uit de principes van de revolutie, en de faam ervan moet nationaal zijn en niet individueel.

Een plan op basis van dit principe zou de omwenteling ten goede komen door de energie die voortkomt uit het bewustzijn van rechtvaardigheid. Het zou ook de nationale rijkdommen vermenigvuldigen; want eigendom neemt, net als vegetatie, toe door spreiding. Wanneer een jong stel aan het begin van hun leven staat, is het verschil enorm of ze met niets beginnen of met vijftien pond per persoon. Met deze hulp zouden ze een koe kunnen kopen en gereedschap om een paar hectare land te bewerken; en in plaats van een last voor de samenleving te worden, wat altijd het geval is wanneer er sneller kinderen worden geboren dan er kunnen worden gevoed, zouden ze op weg worden geholpen om nuttige en winstgevende burgers te worden. Ook de nationale domeinen zouden beter verkopen als er financiële steun zou worden verleend om ze in kleine percelen te bewerken.

Het is de praktijk van wat ten onrechte de naam beschaving heeft gekregen (en deze praktijk verdient het niet om liefdadigheid of beleid te worden genoemd) om alleen voorzieningen te treffen voor mensen die arm en ellendig worden op het moment dat ze dat worden. Zou het, zelfs vanuit economisch oogpunt, niet veel beter zijn om maatregelen te nemen om te voorkomen dat ze arm worden? Dit kan het beste worden gedaan door iedereen die de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt, iets te laten erven om mee te beginnen. Het ruwe gezicht van de samenleving, gekenmerkt door de uitersten van rijkdom en armoede, bewijst dat er buitengewone gewelddadigheden zijn gepleegd en roept op tot gerechtigheid om dit recht te zetten. De grote massa van de armen in alle landen is erfelijk geworden en het is voor hen bijna onmogelijk uit die toestand te komen. Er moet ook worden opgemerkt dat deze groep in alle zogenaamde beschaafde landen steeds groter wordt. Jaarlijks komen er meer mensen bij dan eruit stappen.

Hoewel in een plan waarvan rechtvaardigheid en menselijkheid de grondbeginselen zijn, en een belang niet in de berekening mag worden meegenomen, is het toch altijd voordelig voor de totstandkoming van een plan om aan te tonen dat het uit het oogpunt van een belang voordelig is. Het succes van elk voorgesteld plan dat voor openbare beoordeling wordt voorgelegd, hangt uiteindelijk af van het aantal mensen dat er belang bij heeft het te steunen, in samenhang met het principe van rechtvaardigheid.

Het hier voorgestelde plan zal iedereen ten goede komen, zonder iemand te schaden. Het zal het belang van de Republiek consolideren met dat van het individu. Voor de klasse die door het systeem van grondbezit van hun natuurlijke erfenis is beroofd, zal het een daad van nationale rechtvaardigheid zijn. Voor personen die bij hun overlijden een bescheiden vermogen bezitten, zal het fungeren als een tontine voor hun kinderen, en voordeliger is dan het bedrag dat in het fonds wordt gestort, het zal de accumulatie van rijkdom een mate van zekerheid geven die geen van de oude Europese regeringen, die nu op hun grondvesten wankelen, kan bieden.

Ik denk niet dat meer dan één op de tien gezinnen in enig Europees land bij het overlijden van het gezinshoofd een nettovermogen van vijfhonderd pond sterling achterlaat. Voor al deze gezinnen is het plan voordelig. Dat vermogen zou vijftig pond in het fonds storten, en als er slechts twee minderjarige kinderen waren, zouden zij bij het bereiken van de meerderjarigheid elk vijftien pond (dertig pond) ontvangen en na hun vijftigste recht hebben op tien pond per jaar. Het fonds zal zichzelf in stand houden door de overmatige verwerving van vermogen, en ik weet dat de bezitters van dergelijk vermogen in Engeland, hoewel zij uiteindelijk zouden profiteren van de bescherming van negen tiende daarvan, zich tegen het plan zullen verzetten. Maar zonder in te gaan op de vraag hoe zij aan dat vermogen zijn gekomen, moeten zij bedenken dat zij voorstanders van deze oorlog zijn geweest en dat de heer Pitt het Engelse volk reeds nieuwe belastingen heeft opgelegd die jaarlijks moeten worden geheven, en wel om het despotisme van Oostenrijk en de Bourbons te steunen ten koste van de vrijheden van Frankrijk, dan er jaarlijks nodig zou zijn om alle in dit plan voorgestelde bedragen te betalen.

De berekeningen in dit plan heb ik gemaakt op basis van zowel wat men persoonlijke eigendom noemt als onroerend goed. De reden om het op basis van onroerend goed te doen, is al uitgelegd; de reden om de persoonlijke eigendom in de berekening mee te nemen, is evenzeer gegrond, zij het op een ander principe. Land is, zoals eerder gezegd, een vrije gave van de Schepper aan de mensheid. Persoonlijke eigendom is het resultaat van de samenleving; en het is voor een individu onmogelijk om persoonlijke eigendom te verwerven zonder de hulp van de samenleving, als het voor hem onmogelijk is om zelf grond te creëren. Scheid een individu van de samenleving en geef hem een eiland of een continent in bezit, en hij kan geen persoonlijke eigendom verwerven. Hij kan niet rijk zijn. De middelen zijn in alle gevallen zo onlosmakelijk verbonden met het doel, dat wanneer de eerste niet bestaan, het laatste niet kan worden verkregen. Alle accumulatie van persoonlijke eigendom die verder gaat dan wat een mens met zijn eigen handen produceert, is dus het gevolg van het leven in de maatschappij; en op grond van het principe van rechtvaardigheid, dankbaarheid en beschaving is hij een deel van die accumulatie weer verschuldigd aan de samenleving waaruit het geheel is voortgekomen. Dit is een algemene stelling, en misschien is dat ook wel het beste, want als we de zaak nauwkeurig onderzoeken, zullen we zien dat de accumulatie van persoonlijke eigendomm in veel gevallen het gevolg is van het feit dat er te weinig wordt betaald voor de arbeid die deze eigendom heeft voortgebracht, met als gevolg dat de werkende hand in de ouderdom ten onder gaat en de werkgever in weelde baadt. Het is misschien onmogelijk om de prijs van de arbeid precies in verhouding te brengen met de winst die deze oplevert; en als excuus voor het onrecht zal ook worden gezegd dat als een arbeider dagelijks een loonsverhoging zou krijgen, hij die niet zou sparen voor zijn oude dag, noch er in de tussentijd veel beter van zou worden. Laat de samenleving dan de penningmeester zijn die het voor hem bewaart in een gemeenschappelijk fonds, want het is geen reden dat, omdat hij er misschien geen goed gebruik van zou maken voor zichzelf, een ander het zou moeten nemen.

De heersende staat van beschaving in Europa, is even onrechtvaardig in zijn principe als afschuwelijk in zijn gevolgen; en het is het besef hiervan en de vrees dat een dergelijke toestand niet kan voortduren zodra in een land een onderzoek begint, dat de bezitters van eigendom elke gedachte aan een revolutie doet vrezen. Het is het risico en niet het principe van revoluties dat hun voortgang vertraagt. Aangezien dit het geval is, is het zowel voor de bescherming van eigendom als omwille van rechtvaardigheid en menselijkheid noodzakelijk om een systeem te bouwen dat enerzijds een deel van de samenleving behoedt voor ellende en anderzijds het andere deel beschermt tegen plundering.

De bijgelovige bewondering, de slavernijachtige eerbied die vroeger rond rijkdom hing, verdwijnt in alle landen, waardoor de bezitters van eigendom worden overgeleverd aan de grillen van het lot. Wanneer rijkdom en pracht en praal, in plaats van de massa te fascineren, gevoelens van afkeer opwekken; wanneer ze, in plaats van bewondering te wekken, worden beschouwd als een belediging voor de ellende; wanneer de opzichtige verschijning ervan het recht daarop in twijfel trekt, wordt de situatie van het eigendom kritiek en kan de bezitter alleen in een rechtvaardig systeem veiligheid verwachten.

Om het gevaar weg te nemen, is het noodzakelijk de antipathieën weg te nemen, en dit kan alleen worden gedaan door het eigendom productief te maken ten bate van het nationaal geluk, zich uitstrekkend tot elk individu. Wanneer de rijkdom van de ene mens ten opzichte van de andere het nationale fonds in dezelfde verhouding doet toenemen; wanneer duidelijk wordt dat de welvaart van dat fonds afhangt van de welvaart van individuen; wanneer een mens meer rijkdom vergaart, hoe beter dat is voor de massa; dan zullen de vijandigheden ophouden en zal eigendom worden gegrondvest op het permanente beginsel van nationaal belang en bescherming.

Ik bezit geen onroerend goed in Frankrijk dat onder het door mij voorgestelde plan zou vallen. Wat ik bezit - en dat is niet veel - bevindt zich in de Verenigde Staten van Amerika. Maar ik zal honderd pond sterling aan dit fonds in Frankrijk bijdragen zodra het wordt opgericht; en ik zal hetzelfde bedrag in Engeland betalen zodra een soortgelijke instelling in dat land wordt opgericht.

Een omwenteling in de beschaving is onlosmakelijk verbonden met een omwenteling in het staatsbestel. Als een revolutie in een land van slecht naar goed gaat, of van goed naar slecht, moet de toestand van wat in dat land beschaving wordt genoemd, daaraan worden aangepast om die omwenteling effect te geven. Een despotische regering ondersteunt zichzelf door een verachtelijke beschaving, waarin de vernedering van de menselijke geest en de ellende van de massa het belangrijkste zijn. Dergelijke regeringen beschouwen de mens als een dier; zij zijn van mening dat het gebruik van zijn verstand niet zijn voorrecht is; dat hij niets anders met de wetten te maken heeft dan ze te gehoorzamen [Verwoording van Horsley, een Engelse bisschop, in het Engelse parlement. – Auteur]; en politiek gezien rekenen zij er meer op, dat zij de geest van het volk door armoede kunnen breken, dan dat zij vrezen dat het volk door wanhoop in opstand komt.

Het is een omwenteling in de beschaving die de Franse Revolutie tot volmaaktheid zal brengen. De overtuiging dat een regering door vertegenwoordiging het ware regeringssysteem is, verspreidt zich snel over de wereld. De redelijkheid ervan is voor iedereen duidelijk. Zelfs de tegenstanders voelen de rechtvaardigheid ervan. Maar wanneer een beschaving, voortkomend uit dat regeringssysteem, zo wordt georganiseerd dat elke man of vrouw die in de Republiek wordt geboren, de middelen erft om een nieuw leven te beginnen en de zekerheid heeft dat hij of zij zal ontsnappen aan de ellende die onder andere regeringen met de ouderdom gepaard gaat, dan zal de Franse Revolutie pleitbezorgers en bondgenoten vinden in alle naties.

Een leger van principes zal inbreken waar een leger van soldaten dat niet kan; het zal slagen waar diplomatiek optreden zou falen: noch de Rijn, noch het Kanaal, noch de oceaan kunnen de opmars stuiten: het zal oprukken naar de horizon van de wereld en het zal overwinnen.

De middelen om het voorgestelde plan uit te voeren en tegelijkertijd bevorderlijk voor het algemeen belang

1. Elk kanton zal in zijn eerste vergaderingen drie personen kiezen als commissarissen voor dat kanton, die kennis zullen nemen en een register zullen bijhouden van alle zaken die in dat kanton gebeuren, in overeenstemming met het handvest dat bij wet zal worden vastgesteld om dit plan uit te voeren.

2. De wet bepaalt de wijze waarop de eigendommen van overleden personen worden vastgesteld.

3. Wanneer de waarde van de eigendom van een overleden persoon is vastgesteld, zal de belangrijkste erfgenaam van die eigendom, of de oudste van de mede-erfgenamen, indien deze meerderjarig is, of indien deze minderjarig is, de persoon die door het testament van de overledene is gemachtigd om hem of hen te vertegenwoordigen, aan de commissarissen van het kanton een borgsom betalen om het genoemde tiende deel in vier gelijke driemaandelijkse termijnen te betalen, binnen een jaar of eerder, naar keuze van de betalers. De helft van het gehele vermogen blijft als borg achter totdat de obligatie is afgelost.

4. De obligatie wordt geregistreerd bij het kantoor van de commissarissen van het kanton en de originele obligaties worden gedeponeerd bij de nationale bank in Parijs. De bank publiceert elk kwartaal het bedrag van de obligaties in haar bezit, alsmede de obligaties die sinds de laatste kwartaalpublicatie zijn afgelost, of de delen daarvan.

5. De nationale bank geeft bankbiljetten uit op basis van de obligaties in haar bezit. De aldus uitgegeven bankbiljetten worden gebruikt voor de betaling van de pensioenen aan bejaarden en van vergoedingen aan personen die de leeftijd van eenentwintig jaar bereiken. Het is zowel redelijk als genereus om aan te nemen dat personen die niet in onmiddellijke nood verkeren, hun recht op het fonds zullen opschorten totdat het, zoals het geval zal zijn, een grotere capaciteit heeft verworven. In dit geval wordt voorgesteld om in elk kanton een ere-register bij te houden met de namen van de personen die dit recht opschorten, in ieder geval voor de duur van de huidige oorlog.

6. Aangezien de erfgenamen van de eigendom hun obligaties altijd in vier driemaandelijkse termijnen moeten opnemen, of eerder indien zij dat wensen, zal er na afloop van het eerste kwartaal altijd numéraire [gemunt geld, cash] bij de bank binnenkomen om te worden ingewisseld voor ingebrachte bankbiljetten.

7. Aangezien de bankbiljetten aldus in omloop worden gebracht, met de best mogelijke zekerheid, namelijk de eigendom, voor meer dan vier keer het bedrag van de obligaties waarop de biljetten zijn uitgegeven, en met een numéraire dat constant bij de bank binnenkomt om ze om te wisselen of af te lossen wanneer ze voor dat doel worden aangeboden, zullen ze in alle delen van de Republiek een blijvende waarde hebben. Ze kunnen daarom worden aanvaard als betaling van belastingen of leningen gelijk aan de numéraire, omdat de regering er altijd numéraire voor kan ontvangen bij de bank.

8. Het zal noodzakelijk zijn dat de betalingen van tien procent in numéraire worden gedaan gedurende het eerste jaar vanaf de invoering van het plan. Maar na het verstrijken van het eerste jaar kunnen de erfgenamen van het eigendom tien procent betalen, hetzij in bankbiljetten die op het fonds zijn uitgegeven, hetzij in numéraire. Indien de betalingen in numéraire gebeuren, zal dit als een deposito bij de bank worden aangehouden, om te worden ingewisseld tegen een hoeveelheid bankbiljetten die gelijk is aan dat bedrag; en indien de betalingen plaatsvinden in bankbiljetten die op het fonds zijn uitgegeven, zal dit een vraag naar het fonds doen ontstaan die daarmee gelijk is; en aldus zal de werking van het plan de middelen creëren om zichzelf ten uitvoer te brengen.

Thomas Paine