Evald Iljenkov

Psychologie


Geschreven: geen jaartal
Bron: Engelstalig MIA, in het Evald Ilyenkov Archive; Psychology
Opgelet: dit is een vertaling van een vertaling
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

Qr-MIA

       


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
De grenzen der kennis
Dialectiek van de Natuur
Tegen de methode

Leontjevs definitie – de wetenschap van het ontstaan en het functioneren van het beeld. Dit is de psychologie in haar geheel, d.w.z. inclusief de dierenpsychologie, of, misschien nog nauwkeuriger – een definitie die in haar algemene vorm precies en uitsluitend op dit soort psychologie van toepassing is.

De psychologie van de mens. Misschien gaat de vraag erom: hoe wij de concrete, specifieke bepaling van het beeld in de mens definiëren.

Dat ligt ongetwijfeld in de universaliteit. In het vermogen om een beeld van elk willekeurig ding te “genereren” – elk willekeurig beeld. Van een waarneming van de eenvoudigste geometrische vorm tot een beeld met “inhoud”, een logische categorie, een morele wet, “schoonheid”, enz. En wetenschap, en kunst – dit zijn allemaal beelden (voorstellingen, een representatie – en uitgevoerd in een of ander zintuiglijk waarneembaar materiaal – vormen van bestaan en beweging) van de externe wereld. Zonder dit is materialisme een leeg woord.

Het geheim van “het beeld in het algemeen” moet waarschijnlijk worden gezocht in de analyse van het eenvoudigste beeld, het eenvoudigste psychische fenomeen, het eenvoudigste product van psychische activiteit waarin dergelijke activiteit voor het eerst “verschijnt”.

Het is hier zoals als met waarde.
Begrijpen wat waarde in het algemeen is, betekent niet het creëren van een abstractie waarin alle verschillen zouden worden uitgewist tussen een geklede jas en een zakdoek, tussen een waar en geld, tussen waarde in het algemeen en meerwaarde in al haar bijzonderheden (winst, rente, interest, enz.).

Het is noodzakelijk de eenvoudige (historisch en logisch eerste) vorm van waarde te analyseren, de eerste bijzonderheid die gelijk is aan het genus.

Waar bevindt zich dan die “tot de eenvoudigste bepaling teruggebrachte concreetheid” van het beeld, het product en de vorm van het stroomproces dat dit beeld voortbrengt?

Het is absurd om “het algemene” te zoeken tussen het beeld van de waarneming en dat van de fantasie, tussen het beeld van de representatie en dat van het begrip. Complexe (ontwikkelde, concrete) beelden mogen in dit analysestadium voor ons niet bestaan; ze moeten nog “uitgewerkt” worden – d.w.z., begrepen.

We zullen doen wat Marx deed. Wij zullen niet teruggaan naar de diepte van de geschiedenis, naar een onderzoek naar de dierlijke vormen van de psyche (en van het beeld), want abstracte kenmerken blijven behouden (worden gereproduceerd) in de ontogenese van de menselijke psyche, als het eerste stadia van haar ontwikkeling, waarbij de fylogenese zich kort herhaalt.

Zoopsychische voorwaarden worden hier eveneens gereproduceerd als haar product, in hun “gezuiverde” vorm, als werkelijk noodzakelijke voorwaarden voor het ontstaan van de specifiek menselijke psyche.

De eerste voorwaarde – het lijkt voor de hand te liggen – is het vermogen om zich actief in de ruimte te verplaatsen, op zoek naar voedsel, water, enz. Het is – uiteraard – onjuist om te spreken van de psyche van een plant.

“Op zoek naar” of “gericht op” een bepaald object – een object van verlangen, aanvankelijk een object van organische “behoefte”.

Het is als een organische behoefte – als een vereiste voor een bepaald object, biochemisch gecodeerd in het organisme, als een zich cyclisch zelfvernieuwende uitwisseling van substanties – dat wij de eerste (en nog steeds niet-specifieke) voorwaarde van de psyche moeten zien. /Niet-specifiek in zoverre dat een plant deze ook volledig bezit./ Dus, uitwisseling van substanties als zodanig, zeer goed in staat om haar cycli te vernieuwen zonder enige vorm van psyche en deze laatste op geen enkele wijze vooronderstellend.

/Maar op de hoogste niveaus verschijnt het als een “gevolg” van de psyche, als een resultaat van psychische activiteit = zoekactiviteit – de actieve beweging van het organisme tussen lichamen in de externe wereld, tussen de “obstakels” die het “zelf sluiten” van de uitwisselingscyclus belemmeren./

Dat wil zeggen, de actieve uitwisseling van substanties tussen het organisme en zijn externe omgeving is een absolute – niet-specifieke – voorwaarde voor de psyche. Bij de plant verloopt deze uitwisseling in een toestand van onbeweeglijkheid, en als de componenten van de externe omgeving in ruimte en tijd van het organisme gescheiden zijn, als het geen direct contact heeft met de externe voorwaarden voor voortzetting van de cyclus, dan gaat het ten onder. Dissimilatie zonder assimilatie is de dood.

Niet zo bij het dier. Het overbrugt de kloof door middel van zijn eigen beweging ernaartoe, “wordt door de zweep van de noodzaak naar voedsel geduwd” en sluit de cyclus. Het is gedwongen te zoeken – dat wil zeggen, zich in de ruimte te verplaatsen in de richting van de ontbrekende component van de cyclus, naar het object van organische behoefte (voedsel, water).

De pasgeboren baby is hier nog geheel als de plant. Hij leeft zolang de “externe” voorwaarden voor de uitwisseling van stoffen “zelf tot hem komen” – de moeder. Hij is nog geen dier – en er is geen behoefte aan de psyche.

Het eerste element van de psyche kan alleen ontstaan waar het een begin is van de eigen “zelfbeweging” van zijn organisme richting voedsel – richting moederborst. De embryonale vorm – de baby – “wordt aangetrokken” in de richting van de moederborst, naar melk.

Bij het dier is dit aangeboren. Bij de mens is dat niet het geval, het moet nog vorm krijgen – de baby vertoont geen enkele poging, zelfs niet de onhandigste, om zich in een bepaalde richting te bewegen. /Fichte beschreef dit goed, als een feit: vegetatief “instinct” bij afwezigheid van dierlijk instinct – dat wil zeggen, van het morfologisch aangeboren bewegingsschema in de ruimte dat nodig is voor het wegnemen van het ruimtelijke “obstakel”./ Van het vermogen om door middel van georganiseerde handelingen de kloof te overbruggen tussen zijn eigen lichaam en de externe omstandigheden van zijn bestaan.

Het ontstaan van psychische functies (= het beeld) is onlosmakelijk verbonden met de aanwezigheid van dit – dierlijke – “instinct”, hoewel het geen “instinct” is – zie het artikel van Galperin – maar een ontwikkeling die na de geboorte ontstaat.

Als het geen “instinct” is, maar een uiterst complexe formatie die na de geboorte ontstaat en de ontogenetische ontwikkeling van een overeenkomstig “functioneel orgaan” vereist, dan valt het probleem van het ontstaan van de psyche samen met – en staat het niet in tegenstelling tot – het probleem van de ontogenese van de overeenkomstige hersenzones. Maar het orgaan wordt hier gecreëerd door de functie, en niet andersom, niet de functie door het orgaan, door een “structuur” die eraan voorafgaat.

Ongeconditioneerde reflexen vormen hier een prehistorische voorwaarde voor het ontstaan van de psyche die, net als de eerste trap van een raket, als overbodig wordt afgestoten en niet langer gereproduceerd in het daaropvolgende functioneren van de psyche, en niet langer verschijnt als een intern noodzakelijk onderdeel.

De “organen van de psyche” omvatten daarom (als interne voorwaarde voor het functioneren) alleen die zenuwmechanismen die niet alleen een voorwaarde maar ook een gevolg zijn van “psychische” activiteit – activiteit van het organisme in de externe ruimte, activiteit met externe objecten die verschillen van het eigen organisme en buiten het lichaam bestaan (en er onafhankelijk van zijn).

Alleen hier ontstaat, strikt genomen, de behoefte aan een afzonderlijk subjectief beeld van het externe object. Een behoefte wordt pas een vereiste van het lichaam samen met het verschijnen binnen de activiteit van een object dat aan de behoefte beantwoordt, en niet eerder.

Een vereiste (“oriëntatie”) in een persoon wordt een doel, en het is als onderdeel van doelgerichte activiteit dat het beeld ontstaat.

De baby bezit noch beeld, noch psyche, om de eenvoudige reden dat hij weliswaar een organische behoefte heeft (de moedermelk), maar er geen vordering op heeft – net als een plant. Hij is geen subject, maar slechts een object van voeding.

/Hij is slechts een subject in de handeling van zuigen, slikken en verteren, die puur vegetatieve – en geenszins psychische – functies van het organisme zijn./

Het enige “triggereffect” komt hier voort uit dat deel van de stofwisseling dat, los van enige actieve handeling van zijn kant, al in zijn lichaam is binnengedrongen – althans via de mond en de lippen. De moedermelk bevindt zich maar een halve meter van zijn mond verwijderd – en toch zal hij omkomen, tenzij deze afstand door zijn moeder wordt overbrugd. Hij zal geen eigen handeling verrichten (zoals een puppy of kitten dat al een half uur na de geboorte doet).

Pas na een half jaar begint hij zich te rekken naar de borst – hier ontstaat de eerste vorm van psychisch gestuurde handelingen. Het is slechts een intentie ten aanzien van de richting van de handelingen, nog niet de handeling zelf.

De bewegingen in de ruimte in de richting van de moederborst zijn niet aangeboren; ze worden gevormd. En juist omdat de moeder de baby niet constant aan haar borst kan houden, legt hij de weg af – aanvankelijk passief, door zich met zijn hele lichaam naar haar toe te “strekken”. Hij leert zelfstandig te bewegen – eerst op vier en daarna ook op twee ledematen. Nog preciezer gezegd: het wordt hem aangeleerd.

De psyche beheerst hij op het moment dat hij leert zichzelf te bewegen. En dat is het eerste beeld van “het zelf” (das Selbst).

Wanneer hij leert zijn ledematen te controleren (hij beheerst zijn lippen vanaf de eerste dag). De armen en benen – dit zijn de eerste organen van psychische activiteit. De wijze – het beeld – van hun handelingen is het eerste beeld, waarin de vorm van het pad en het actief afgelegde traject van dit pad één en hetzelfde zijn. Dit is een geometrische figuur die een figuur of schema van handelingen is geworden. De vorm van het ding bevindt zich buiten het ding, in het lichaam van het subject, als het schema van zijn actieve beweging. Het bevindt zich dus niet “in de hersenen” – alleen het zenuwmechanisme dat de beweging van het lichaam stuurt, bevindt zich in de hersenen. De hersenen maken deel uit van het lichaam, en zijn niet het “denkende lichaam” dat ze lijken te zijn wanneer de psychische activiteit zich heeft ontwikkeld tot haar verfijnde vormen – tot het vermogen om voorafgaand aan de werkelijke handeling een ideëel beeld of schema van komende handelingen te construeren, alsof dat schema “subjectief” wordt doorlopen alvorens de handeling uit te voeren.

(“Trage reactie” bij Sechenov.) Het is absurd om de handeling van het zuigen “psychisch” te noemen. Het wordt uitgevoerd zonder enige voorafgaande “afweging” van handelingen – zoals slikken, of de peristaltiek van de slokdarm. Of de opname van een oplossing door een plant. Zuigen gebeurt vaak in rust of aan een fopspeen. Er is hier zelfs geen spoor van enig element van de psyche. Dit is slechts een fysiologische voorwaarde, slechts een prehistorische conditie van de psyche.

Het is een andere zaak wanneer we handelingen beschouwen waarbij men zich in de ruimte verplaatst met als “doel” het herstellen van het verbroken contact tussen het eigen lichaam en een object van organische behoefte, het sluiten van de cyclus van uitwisseling van stoffen door eigen handelingen. Hier is het niet langer mogelijk om zonder het beeld te functioneren. Bovendien moet het beeld steevast worden gegeven door de werking van verre receptoren (al was het maar door de geur – dit is duidelijk te zien bij blinden).

De hersenen worden pas een orgaan van de psyche in de mate waarin ze een orgaan worden voor het sturen van de zelfbeweging van het lichaam in een ruimte gevuld met externe objecten, waarvan sommige potentiële objecten van behoefte zijn, terwijl andere obstakels de handeling om de behoefte te bevredigen “belemmeren”. Het organisme moet leren objecten van het ene type te onderscheiden van objecten van het andere, en dit op afstand te doen – dat wil zeggen, voordat er fysiek contact wordt gemaakt. Dit verklaart de buitengewone traagheid (of zelfs volledige verlamming) van het vormingsproces van de psychische functies van de hersenen bij doofblinde kinderen, bij wie de enige receptor die in staat is een “foto” te maken van de vorm van een object (dat wil zeggen, er een beeld van te creëren) de tastzin [osiazanie] is. (Om precies te zijn: de motorische handeling waarvan de tastzin als “receptor” een onderdeel is. In het algemeen wordt een receptor pas een orgaan van de psyche voor zover deze een hulporgaan van een effector wordt. “Op zichzelf” is het geen orgaan van de psyche, maar slechts een noodzakelijke voorwaarde voor een dergelijk orgaan dat ook een volledig fysiologische aard en oorsprong heeft.)

Juist hier is het noodzakelijk om de totstandkoming van de functie van het aanraken te analyseren. Het is nauwkeuriger om te spreken van “tasten” [oshchupyvanie], omdat het tasten hier verschijnt als de handeling die onmiddellijk binnen het organisme wordt “weerspiegeld” bij de uitvoering ervan, als een geheel van “sensaties” die niet chaotisch zijn maar door de handeling worden georganiseerd. Geen chaos, geen “flow”, maar een georganiseerd systeem van gewaarwordingen – een beeld.

Hier wordt Kants vraag beantwoord: wat organiseert de “chaos van gewaarwordingen” tot een beeld, en hoe en waarom gebeurt dit? Volgens Kant: een a priori schema. Kant heeft op briljante wijze aangetoond dat zonder een dergelijk schema het ontstaan van het beeld zelf onmogelijk is.

Het schema gaat inderdaad vooraf aan het beeld – maar niet als een “transcendent schema”, maar als een volkomen reëel – door het object bepaald – schema van het werk van de organen van objectgerichte actie – bovenal van de hand, die als het ware langs de omtrek van het ding glijdt en door haar beweging deze omtrek kopieert, de onmiddellijk “waargenomen” (perceived) externe omtrek. Het beeld van de geometrie van het externe lichaam, van de wereld van lichamen – namelijk van obstakels op het pad van actieve handeling: hier en nergens anders ligt de rationele kern van Fichtes psychologie.

De handeling wordt op zichzelf teruggekaatst – op het lichaam van het handelende organisme – en wat niet in de handeling aanwezig was, zal ook niet in de gevoelens aanwezig zijn.

“Er is niets in het verstand dat niet ook in de gevoelens aanwezig zou zijn” – maar “er is niets in de gevoelens dat niet ook in georganiseerde handeling aanwezig zou zijn.” Het idealisme drukt deze waarheid in zijn eigen taal als volgt uit: “naast het intellect zelf”, want het schrijft het schema van de organisatie van externe handelingen toe aan het intellect, aan een principe dat “in actie treedt” en voorafgaat aan de handeling, aan de “ziel” als een onlichamelijke substantie.

De “ziel” echter – inclusief de “ziel” (psyche) van het dier – is het geheel van de schema’s van het lichaam voor externe actie, het schema van hun organisatie in een reeks opeenvolgende operaties, en ontvouwt zich als een keten van dergelijke “operaties”.

Ja, activiteit ondergaat opeenvolgende differentiatie (vertakking), maar wordt niet “samengebracht” uit haar zogenaamd vooraf gegeven componenten. Eenheid wordt vanaf het begin gegeven door de samenstelling van de eenvoudigste – universele – “operatie – actie”.

De eenvoudige – geïsoleerde, spontane – vorm van activiteit is de actie – operatie van het organisme, gericht op het bereiken in de ruimte van een object van een organisch ingebouwde behoefte. [Bijvoorbeeld] de moedermelk. Het staat niet in de hersenen van de baby geschreven waar en hoe hij ernaar moet zoeken, welke obstakels moeten worden vermeden, en hoe dit moet gebeuren. En het is niet hij die zoekt. Het is de borst van zijn moeder die naar zijn lippen zoekt – haar borst, niet zijn lippen, die hier fungeert als het orgaan van het subject, want het organisme van een baby is simpelweg geen subject.

Pas wanneer de baby zich naar haar begint uit te strekken – haar met zijn lichaam “zoekt” – verschijnt het eerste rudiment van psychische activiteit, waaraan, naast de hersenen, zijn hele kleine lichaam deelneemt, zich actief uitstrekkend naar het object van de organische behoefte, en daardoor de behoefte omzettend in een eis, en het externe object dat in staat is de behoefte te bevredigen (maar dat op dat moment dat niet doet, aangezien het nog ver van zijn lippen verwijderd is) in een object van vereiste, in een component van een psychische handeling (actie – operatie) – of van activiteit in het algemeen, als een vorm die nog niet gedifferentieerd is en daarom universeel, in staat tot “vertakking”.

Wat ons hier interesseert is niet hoe de baby dit zelf “ervaart” als zijn eigen “innerlijke toestand”, maar de objectieve samenstelling van deze “innerlijke toestand”.

En dit is de “ideëele” aanwezigheid van een object dat in werkelijkheid afwezig is, gegeven door de reële aanwezigheid van een schema van handelingen die nodig zijn om het te bereiken. Een schema van acties, tegelijkertijd gegeven als een huidige toestand die zich onvermijdelijk ontvouwt in een reële opeenvolging van acties in de tijd – dit is het beeld van de handeling (contour of traject van de handeling tot het punt van haar werkelijke voltooiing = geometrie van het externe pad rond de vorm van het ding, de vorm van het ding zoals uitgetekend door de beweging van het organisme in de ruimte).

Als schema – beeld wordt het aan het subject momenteel gegeven, buiten de tijd, voorafgaand aan en buiten de werkelijke ontvouwing ervan in de tijdruimte.

Het is daarom mogelijk een vrij duidelijke scheidslijn te trekken tussen de fysiologische en de psychische handeling.

Zuigen is een puur fysiologische, aangeboren handeling.
Maar de kleinste beweging – zelfs als het maar een “begin” is (de baby “strekt zich uit naar”, “wordt door de dwang van de noodzaak naar de voeding getrokken”) – is al een psychische handeling, op geen enkele wijze aangeboren, alleen gevormd in de loop van de uitvoering van de actie zelf, van binnenuit gestimuleerd maar op geen enkele wijze “van binnenuit” gevormd.

Er is een verband tussen dit “zich uitstrekken naar” en het zeer eenvoudige fenomeen dat door V.P. Zinchenko wordt besproken – de neiging [vlechenie], de “behoeftige” toestand (en niet langer een vage “behoefte” die losstaat van enig object).

Het gevoel van behoefte – een interne toestand – is ook een puur fysiologische handeling (fenomeen). Het zelfbewustzijn is daarom niet het eerste “psychische” fenomeen dat in de introspectie wordt waargenomen. Hier wordt in de introspectie slechts een interne fysiologische toestand waargenomen.

Maar wanneer deze toestand verandert in een vereiste, groeit deze uit tot een “complex van gewaarwordingen” dat een beeld vormt van de handeling en van zijn object – of nauwkeuriger, een beeld van het object van de behoefte samen met een beeld van de ruimte die het van het lichaam scheidt (en dus van de “obstakels” die die ruimte vullen en van de paden en zigzaggen om deze te vermijden). Hier ontstaat (en functioneert) het beeld. Als het beeld van het externe ding en van de wijze van handelen, ten opzichte van het ding, waarbij het ding verschijnt als een extern doel en handelingen als middelen om het te bereiken.

Het doel is de subjectief waargenomen vorm van het object – het doel – terwijl de middelen bestaan uit het geometrisch gedefinieerde traject om “obstakels” te vermijden en, bijgevolg, de contouren van deze obstakels, die op zichzelf – vanuit puur fysiologisch oogpunt – volkomen bioneutraal zijn.

De directe waarneming van deze externe contouren van dingen als het doel, evenals van de middelen – obstakels op de weg naar het bereiken ervan – is het beeld, en is de cellulaire vorm van psychische activiteit, het eenvoudige abstracte schema ervan. Het schema wordt vervolgens geactualiseerd in het waarnemingsbeeld, en hier hadden Kant, Fichte en Schelling gelijk – het wordt het schema van de daadwerkelijk uitgevoerde waarnemingshandeling van de externe vorm.

“De hersenen slaan niet het beeld op, maar de wijze van constructie van het beeld” (Fichte), en hierin schuilt een diepe waarheid. Het beeld “bestaat” alleen in de loop van en tijdens de actieve constructie ervan van een – zij het zeer snel, bijna onmiddellijk, in microseconden – uitgevoerde handeling.

In feite slaat het brein een geautomatiseerd schema voor beeldvorming op, en als dit schema razendsnel “werkt” en geen “obstakels” ondervindt van gewaarwordingen die “er niet in passen”, dan wordt het beeld vrijwel automatisch gevormd, zonder dat er sprake is van psychisch werk. En het psychische werk bestaat uitsluitend uit het corrigeren van het kant-en-klare (fysiologisch vastgelegde) actieschema op het moment zelf van de transformatie in het “beeld”, in de voltooide “afbeelding – kopie” van het ding.

Als het schema “werkt” zonder op ernstige obstakels te stuiten, verloopt de omzetting in een beeld moeiteloos.

(Maar hier rijst een probleem – wat is belangrijk en wat niet. [Zie] Fichte over het verschil in de waarneming van één en hetzelfde object – een plant – door een kind en door een natuuronderzoeker.)

Een analogie met de werking van een automatische piloot kan helpen. Deze houdt zich aan de richting die door het kompas en de gyroscoop wordt aangegeven, en daarom vertrouwt de menselijke piloot er volledig op in een ruimte zonder obstakels. Als er een berg of een onweerswolk in de vliegroute verschijnt en het richtingsschema niet langer volstaat, is het noodzakelijk een ander schema te activeren om het obstakel te vermijden en tijdens de omleiding correcties aan te brengen, rekening houdend met nieuw opgetreden variaties in de contouren van het obstakel. Hier komt de psyche in actie – in dit geval de psyche van de menselijke piloot.

Maar zolang het schema soepel wordt “gerealiseerd” en niet op een obstakel stuit, is het niet gedwongen zich te “transformeren” tot een beeld, zich te “buigen” in overeenstemming met de contouren – het schema van een extern object – het obstakel ... Het beeld is een schema van externe actie waaraan telkens individuele correcties zijn aangebracht, een schema dat is gewijzigd in overeenstemming met een individueel onherhaalbare (en dus onmogelijk in en door het schema te voorzien) samenloop van omstandigheden – obstakels op de weg naar het doel.

Daarom is de psyche aanwezig waar en alleen waar er een individueel variabel handelingenschema is, waar er correctie van het schema plaatsvindt door unieke omstandigheden die geautomatiseerde systemen volstrekt niet kunnen voorzien – waar het materiële schema van de lichaamsbeweging wordt gecorrigeerd door onverwachte (voor het schema) obstakels, door de noodzaak er rekening mee te houden.

Een piloot laat de automatische piloot door een gewone wolk vliegen, maar niet door een onweerswolk.

En een mens “ziet” een katelke kat – waar het “schema” van de kat niet wordt verstoord door onverwachte “indicatoren”, ook al is hij niet in staat een verbaal precieze “definitie” van een kat in het algemeen te geven, want de natuuronderzoeker is daar evenmin toe in staat – en onderscheidt een kat van een hond (Schelling).

Dit gebeurt precies in de waarnemingshandeling, in de transformatie van het schema naar een beeld. En voorafgaand aan en buiten de waarnemingshandeling – op het moment zelf van het optreden van – er is geen “beeld”. En van hieruit is het ook al mogelijk om het proces van fantaseren (dromen) te begrijpen.

Fysiologisch vastgelegd in de hersenen beginnen zich werk-“schema’s” te ontplooien, zonder externe obstakels tegen te komen, en deze zodanig te vervormen dat ze ophouden “obstakels” te zijn.

Het beeld is het resultaat van de “ontmoeting” van het actieve “schema” van handelingen, fysiologisch vastgelegd in de zenuwen, met reële gewaarwordingen die de handeling van de verwezenlijking ervan corrigeren. Het schema wordt een “beeld”.

Alleen de “oriëntatie” [ustanovka] (strikt genomen een puur fysiologisch concept) werkt anders. Dan is het resultaat illusie, droom, en ook alle vormen van krankzinnigheid en idee-fixe.

Ook hier zijn er gewaarwordingen, maar alleen van interoceptief karakter, afkomstig van interoceptoren, omdat de exteroceptoren zwijgen of omdat de hersenen hun boodschappen ofwel gewoonweg negeren, ofwel als een omhulsel behandelen, waardoor ze worden omgezet in passief materiaal voor actualisering van het schema, zonder het schema in een beeld te transformeren.

Zo is de hele beruchte sfeer van het “onderbewuste” (het onbewuste in de psyche) eenvoudigweg een systeem van handelingen en beelden die ooit op een volledig bewust-psychische manier werden uitgevoerd, maar zijn overgebracht naar het niveau van automatisch functioneren – het niveau van actieschema’s op puur fysiologische wijze vastgelegd.

Dit gebied is secundair ten opzichte van het bewustzijn, en geenszins primordiaal, zoals Schopenhauer, Freud en anderen, tot en met Uznadze en Bassin, hebben beweerd.

/Dit wordt heel duidelijk in het licht van de experimenten van Harlow met “moederloze moeders”./

Het “onderbewuste” kan daarom niet naast het bewustzijn worden geplaatst als twee even belangrijke componenten van de psyche. De algemene categorie is het bewustzijn, terwijl het onderbewuste een speciale, afgeleide vorm van bewustzijn is, en niet meer dan dat.

Niettemin blijft de psychologie de wetenschap “van het bewustzijn” en van getransformeerde vormen daarvan, zij wordt niet de wetenschap van de psyche, als een sfeer die a priori bestaat uit een “bewuste wil” en een “onbewuste wil” als twee onafhankelijke componenten, want dit brengt ons onmiddellijk terug bij het cartesianisme.

De kwestie van de ‘lokalisatie’ van beelden, die ook Pribram bezighoudt – dat wil zeggen, de vraag door welk wonder wij de vorm van een voorwerp buiten het oog waarnemen en niet simpelweg een prikkeling voelen van het netvlies en het uiteinde van de oogzenuw.

/Vandaar – pijn in de teen van een geamputeerde voet, enz./ “Beelden vormen het brein, maar waarom lokaliseren we objecten precies op deze manier en niet anders?” (K. Pribram, iazyki mozga [Moskou: Progress, 1975], p. 192).

“Het licht dat door het externe object wordt weerkaatst, creëert een beeld op het netvlies. Sensaties bestaan alleen binnen ons lichaam, hoewel we het beeld aan de andere kant van het oog lokaliseren.” Dit is een citaat [in Pribram] van Békésy; verderop beschrijft hij een experiment om tactiele prikkels te lokaliseren. Trillende tikjes op de toppen van twee uit elkaar geplaatste vingers worden waargenomen als een “gebeurtenis” die ergens in de ruimte tussen de vingers plaatsvindt – precies zoals bij een stereofonische geluidsweergave- als ze gelijktijdig worden gegeven. Als ze niet gelijktijdig maar met een interval van 3 – 4 microseconden worden gegeven, worden er verschillende sensaties gevoeld aan de toppen van de twee vingers. Toen het interval werd teruggebracht tot 1 microseconde, “versmolten de twee reeksen tikjes tot één,” en werd de sensatie van trilling gelokaliseerd in één enkele vinger – “in degene die als eerste werd gestimuleerd.”

“Het interessante aan dit experiment is dat bij afwezigheid van een interval de trillingen ergens in de ruimte tussen de vingers worden gelokaliseerd” (p. 193).

“Door het tijdsinterval te variëren, is het mogelijk de sensatie dienovereenkomstig te verplaatsen in de vrije ruimte tussen de vingers.”

Deze “wijze van externe projectie” is welbekend – de stok van de blinde, de sonde van de chirurg, de schroevendraaier in de hand van de monteur.

Dit is, zoals men zegt, zo alledaags dat mensen “zich niet realiseren hoe bijzonder het is.” Het beeld wordt hier duidelijk beschouwd als een gebeurtenis in de wereld “binnenin ons” en niet in de “wereld buiten ons” – als een illusie, als “de geest in de machine” van de hersenen.

“In de jaren zestig verwierp de gedragspsychologie het basisidee van de gestaltpsychologie dat het subjectief ervaren bewustzijn zo’n belangrijk onderdeel vormt van de biologische en sociale wereld, dat het bij de studie van gedrag niet kan worden genegeerd” (p. 120).

“Zelfs het “behavioristische” jargon staat ons niet toe om een volledig beeld te geven van “gedrag”. Vandaar de toevlucht tot termen van de ‘subjectieve psychologie’” – Gilbert Ryle, “Ghosts in the Machine” [Prizraki mashine].

“Beelden en gevoelens zijn geesten die mijn eigen subjectieve wereld bevolken, net zoals ze de subjectieve wereld van mijn patiënten bevolken ... En hoewel deze geesten opgesloten zitten in de machine die de hersenen worden genoemd, zijn we nog niet in staat ze precies te definiëren. Maar als we ze negeren, staan we alleen maar tegenover een zielloze gedragsmachine. Ik ben geïnteresseerd in de geesten – de psychologische functies – en niet in deze machine – het brein zelf of de regulering van gedrag die het bewerkstelligt” (p. 121).

Pribram citeert een passage van Sherrington.

Instrumenteel gedrag en het bewustzijn daarvan staan vaak (!) tegenover elkaar: hoe effectiever de uitgevoerde handelingen, hoe minder we ons ervan bewust zijn. Sherrington verwoordde deze tegenstelling in de volgende korte stelling: “Tussen reflexhandeling en bewustzijn bestaat blijkbaar een reële tegenstelling. Reflexhandeling en bewustzijn sluiten elkaar als het ware uit – hoe meer een reflex een [instinctieve] reflex is, hoe minder bewust deze is.”

/Hier doet het er natuurlijk niet toe of de “reflex” aangeboren of aangeleerd is, of deze als geconditioneerd of ongeconditioneerd wordt beschouwd. Het enige belangrijke punt is dat het een onmiddellijk aanwezig schema van automatisch functioneren is./ “Gewoonte is een tweede natuur” – ook hier is dit belangrijk.

Of deze “natuur” de eerste of de “tweede” is, maakt geen verschil. Het enige belangrijke punt is dat het bewustzijn (de psyche) in het algemeen begint waar de gewoonte (een reflex, een schema of actie is, in een reflex gecodeerd) het organisme in een conflictueuze relatie met de actie-omstandigheden, met de omgeving, brengt.

Alleen hier – in de hiatus van het conflict, in de greep van het conflict – ontstaat en bestaat de psyche – de speciale activiteit van correctie van een reflex.

In het algemeen bestaat de psyche waar het organisme de “weerstand” van het object ervaart – tegen een actie-schema dat door een reflex wordt uitgevoerd.

De handeling wordt weerkaatst, en het is deze weerstand van het object die zorgt dat het actie-schema in zichzelf wordt “gebroken”. De handeling die door het object terug in zichzelf wordt gereflecteerd = het schema dat door zijn eigen belichaming als object wordt gebroken; spanning – tegenstrijdigheid binnen het schema verschijnt “subjectief” als tegenstrijdigheid van het schema met zichzelf, binnenin zichzelf, als het “zelfgevoel” van het schema terwijl het actief in het object wordt ingebracht.

Een heel eenvoudig geval – beweging in een rechte lijn. De handeling langs de rechte lijn “loopt vast”, waardoor beweging onmogelijk wordt – weerstand ook langs de rechte lijn – en hoe intensiever de handeling, hoe sterker de “weerstand” van het obstakel. Hierover is een schitterende discussie te vinden bij Fichte.

Welnu, ofwel wordt de handeling “gebroken”, ofwel het obstakel – wat het sterkst is. Ofwel het actie-schema, ofwel de vorm van het object van de actie – en hier wordt de vorm van het object in het organisme “weergegeven” als de onmogelijkheid om het schema te actualiseren – reflex in het object, als een botsing tussen het schema en de voorwaarden voor de actualisering ervan (de vlieg botst tegen een ruit, de dwaas botst tegen een muur).

Bij de mens: “voor ons staat een muur; een verrotte muur – por ertegen en hij stort in.” Dat wil zeggen, zowel het “schema” als het object – de vorm die het confronteert – worden op dezelfde manier weergegeven in het bewustzijn – het object als datgene wat zich ertegen verzet (Gegenstand). Als het schema geen druk uitoefent, is er geen tegendruk, geen “subjectief gevoel” van deze tegendruk, en als de geschematiseerde handeling ongehinderd tot voltooiing komt, is er geen beeld.

In dit geval wordt het schema “ingedrukt” in het materiaal, maar wordt het materiaal niet “ingedrukt” in het subject. Een mes gaat door boter heen, maar raakt het een steen wordt het bot, en de steen drukt zijn vorm als een inkerving in het lemmet. De botsing tussen “subject” en “object” – tussen het schema – reflex – instinct en het obstakel op het pad van de verwezenlijking ervan – kan op twee manieren eindigen: ofwel wordt de actievorm in het materiaal ingedrukt, ofwel gebeurt het omgekeerde, tot en met de volledige vernietiging van het schema of van de materiaalvorm.

Als het schema niettemin wordt geactualiseerd nadat het door tegenwerking is gecorrigeerd, dan is dit het enige proces in de loop waarvan de psyche, het “bewustzijn”, “bestaat” (ontstaat, tevoorschijn komt) als de voorstelling van de vorm van het ding – in levende actie weerkaatst door het object – aan zichzelf.

Het is noodzakelijk dit heel grafisch weer te geven. Het object “ontstaat” in het bewustzijn als iets dat zich tegen de handeling verzet, als Gegenstand. Hierin ligt de betekenis van Sherringtons tirade. Fichte!

Het beeld is het schema, gecorrigeerd door de vorm van het obstakel voor de verwezenlijking ervan. De weergave van de vorm van het object in de vorm van een actie, de weerspiegeling ervan. Wanneer het object geen weerstand biedt aan de handeling, aan de verwezenlijking van het schema, wordt het er ook niet in “ingedrukt”.

De vlieg die tegen het glas vliegt. Instinct is beweging in een rechte lijn; bewustzijn is een baan die gebogen is in overeenstemming met de vorm van een obstakel.

Laten we eens kijken naar de “schildpad” van Grey Walter, die deze situatie modelleert. Het mechanisme hier is een effector-receptor: gelijktijdige tegenwerking van de handeling, ontstaan van spanning binnen dit systeem.

Het mechanische beeld van de “bewuste wil” bij Fichte is het beeld van de veer. Zolang deze zich in een vacuüm afwindt, ontstaat er geen spanning. Integendeel, de “innerlijke spanning” neemt af – dit is het “gevoel van bevrijding”. Het gevoel van tegenwerking tegen het “vrije” afwinden is het gevoel van een obstakel.

De vorm van het object is [in]gedrukt in het subject = in de “buiging” van het traject van zijn beweging. Water dat rond een steen stroomt. De contour van de rivierbedding is de contour van obstakels die de waterstroom niet kan overwinnen.

Een beeld is geen “spooksel”, geen “subjectieve [psychologische] toestand”, introspectief vastgelegd door de hersenen in zichzelf. Een beeld is de vorm van een ding, in het lichaam van het subject [in]gedrukt, als die “buiging” die het object heeft opgelegd aan het bewegingstraject van het lichaam van het subject. Het is een weergave van de vorm van het object in de vorm van het bewegingstraject van het subject, door hem subjectief ervaren als een “gedwongen” – “onvrije” – verandering in het schema van de reflexmatig uitgevoerde beweging.

Bij Pribram is dit een “spook” simpelweg omdat het beeld onmiddellijk wordt geregistreerd als een “hersentoestand”, terwijl dit slechts de methode is om het “beeld” te coderen in de “taal van de hersenen” en geenszins het beeld zelf.

Een beeld bestaat in het werkelijke lichaam van een werkelijk subject. Het is daar dat het “gelokaliseerd” is – eerst als een gebeurtenis “op de grens” tussen receptor en object – maar het bemiddelende object verschijnt werkelijk als deel van het lichaam van het subject, niet als deel van het lichaam van het object – de stok in de hand van de blinde, de sonde in de hand van de chirurg – voor zover het het schema van de handeling van het subject verwerkelijkt en werkelijk – in de handeling – “aan deze kant van het subject” en niet “aan die kant”.

Daarom verschuift de “waarneming” van het obstakel naar de punt van de stok – het “beeld” wordt door de punt van de stok getekend, niet door de handgreep. Hier stuurt de hersenen de beweging van de punt van de stok (penseel, potlood, schroevendraaier), want het is juist de punt en niet de greep die de omtrek van het object tekent.

Dit is de reden waarom een beeld de omtrek of geometrische vorm is van het waarnemingsobject, begiftigd met “zelfgevoel”, en niet de omtrek van de beweging van de hand die de stok of sonde vasthoudt – en zeker niet “een ruimtelijke tekening van een gebeurtenis in de hersenen” of “in het zenuwstelsel”.

Om deze reden is een beeld de subjectief gegeven vorm van een ding, niet een interne toestand van mijn lichaam die op misleidende wijze aan een ding wordt toegeschreven, ten onrechte ervaren als de vorm van een extern ding. Een beeld is de vorm van een extern ding, gekopieerd door de werking van een receptor-effector en daarom “ervaren” precies daar waar dit beeld bestaat (“ontstaat”).

Het beeld wordt niet door de hersenen “gelokaliseerd” op het punt van fysiek contact tussen de receptor en het oppervlak van het object, maar ontstaat (en bestaat) daar vanaf het allereerste begin, en het is daar dat de hersenen het “ervaren”.

Het ontstaat op het contactpunt tussen de “punt” van de receptor en het oppervlak van het object waartoe het behoort – en wordt precies ervaren als het feit van de weerstand van het oppervlak tegen de beweging van de punt van het lichaam van het subject. Het is daar. En “daar” wordt het ervaren. Precies op de plaats waar het bestaat.

De “ervaring” van de reële weerstand van het oppervlak, dat is niet het brein, maar het “hersen-receptor”-systeem, het “hersen-hand”-systeem, of, indien de hand een kunstmatig verlengstuk vasthoudt, dan daar, aan het uiteinde van de sonde. Het is precies het uiteinde van de sonde en niet de handgreep dat direct de vorm van het ding, de contour van het oppervlak, natekent – als de contour van zijn eigen baan rond de vorm van het object.

Het zijn evenmin de hersenen die “waarnemen”, maar het punt van de receptor. Het beeld is precies de vorm van het ding, actief gereproduceerd door de werking van het “punt” van de receptor op het moment van zijn actie, van zijn beweging terwijl deze langs de buitencontour “glijdt”.

Om deze reden is er geen “beeld” van de lege ruimte en kan dat er ook niet zijn. De lege ruimte biedt geen weerstand en wordt daarom niet waargenomen; wat wordt “waargenomen” is slechts de “vrijheid van actie”, de afwezigheid van obstakels.

Of “ik” me nu in de lege ruimte beweeg of in rust blijf – voor het “zelfgevoel” of de introspectie is dit een onoplosbare vraag.

Maar “vrije” beweging wordt ook niet waargenomen, en “vrijheid” wordt alleen gegeven in de vorm van het overwinnen van obstakels, en niet in de handeling van onbelemmerde beweging.

Hierin ligt de hele Fichte, de volledige wijsheid van zijn beeld van de opgewonden veer, van de innerlijke “spanning” ervan.

Wanneer alle energie van de opgewonden veer op is, houdt deze ook op het obstakel te “voelen”, de inerte kracht van tegenwerking tegen het obstakel – als zelfbeweging die op het object heeft ingewerkt en op zichzelf is teruggekaatst.

/Vergelijk de Fichteaanse interpretatie van “waarde” bij Backhaus – als de inerte kracht van de “weerstand” van de gehele massa van de inerte sociale “reflexen” van gebruikelijke sociale stereotypen, die bij voorbaat grenzen stellen – beperkingen aan de ontplooiing van menselijke arbeidsactiviteit./

Hoe sterker ik op het object “druk”, hoe sterker “het” op mij drukt. Hoe actiever ik ben – des te actiever dringt het object zich bij mij op, en ik schrijf dit toe “aan het object”, aan zijn activiteit als een oerkracht.

Het is niet de wereld die zich “in mij” [in]duwt, maar ik die er actief mijn weg in zoek met behulp van mijn volledige lichamelijke organen – bovenal met mijn hand en met mijn vingertoppen. Daarin ligt de “vormende kracht”, het vermogen om vorm te geven – het beeld – en wel precies in zijn oorspronkelijke betekenis als eidos, als “idee”, als schema, in overeenstemming waarmee de “chaos van gewaarwordingen” wordt georganiseerd.

Dit is de reden waarom Fichte – op het eerste gezicht vreemd genoeg – Kant zag als de directe erfgenaam van Plato. Tussen hen ziet hij geen tussenpersoon; in het interval tussen Plato en Kant “is alles duisternis”, diezelfde duisternis als “vanaf de schepping van de wereld tot aan Plato”.

Hoe kan het schema van “de driehoek in het algemeen” immers ontstaan? Door het abstracte, het onveranderlijke, te onttrekken aan de verzameling van alle mogelijke driehoeken? In dat geval is het “schema” een geschematiseerd beeld of, nauwkeuriger, het gemeenschappelijke element “in alle beelden”.

Maar we hoeven niet “alle” afzonderlijke gevallen van actualisatie van een “schema” te doorlopen om een “schema” te verwerven. Net zoals we geen “inductieve generalisatie” nodig hebben uit alle eindeloze gevallen van een “driehoek” – het volstaat voor ons om één driehoek te hebben om daaruit een schema te extraheren dat we vervolgens gemakkelijk kunnen gebruiken om het beeld van elke andere driehoek te construeren.

“Schema’s” zijn derhalve transcendent en a priori ten opzichte van hun “belichaming” in de materie van de zintuiglijke waarnemingen, in de materie die extern is ten opzichte van hen. Vergelijk de redenering van Schelling.

Fichte: “Stel je nu degene voor die dit ding denkt.” Hier wordt het begrip “het ik” onmiddellijk verondersteld in de vorm waarin dit “ik” direct aan zichzelf “gegeven” is – in de handeling van “introspectie”.

Idem bij Mach:

“Het vaststellen van grenzen tussen het ik en de wereld is geen gemakkelijke taak, noch is het vrij van willekeur. We zullen als het ik beschouwen het geheel van onderling verbonden begrippen, dat wil zeggen die welke direct alleen voor zichzelf bestaan. In dat geval bestaat ons ik uit herinneringen aan onze ervaringen samen met door hen bepaalde associaties” (E. Makh, Poznanie i zabluzhdenie [Moskou: Skirmunta, 1909], p. 73).

Dat wil zeggen, het ik wordt van tevoren “gedacht” als iets dat volkomen losstaat van en tegenover de wereld staat. En dan beginnen zich daaraan te “koppelen” die dingen waarmee dit ik inderdaad onlosmakelijk verbonden is en zonder welke het onmogelijk was het te “denken” – de hersenen, “het hele lichaam”, enzovoort, en als gevolg daarvan ook “het gehele gegeven”, maar nu als “onderdelen van het ik”. Zo wordt het volgende schema mogelijk – “het ik” stelt zichzelf (het ik) tegenover al het andere (het niet-ik), en “de hele wereld” wordt gelijkgesteld aan “het niet-ik”.

Spinoza’s redenering gaat in de direct tegenovergestelde richting, niet uitgaande van “het ik” maar van de wereld en leidend tot het ik als een “onderdeel” van deze wereld. De beweging volgt dezelfde rode draad – keten van verbanden, maar begint aan het andere uiteinde.